OWF Haarlemmermeer
Uitleg visuele waarnemingen.
Diatomeeën bloei (kenmerk: een bruine waterkleur). Diatomeeën bloei ontstaat als de watertemperatuur en zonuren oplopen. Diatomeeën zijn exceptioneel goed in het opnemen van CO2. Dat verklaart dus de stijging van de PH en het instorten van het CO2 gehalte en het ietwat inzakken van de GH. Die bruine aanslag van diatomeeën is al een paar weken voor deze omslag te zien. Als diatomeeën CO2 onttrekken aan carbonaat, zou dan de overblijvende magnesium/ calcium de mist veroorzaken? Met de SIO2 meetwaarde > 1,2 mg/L  is de kans op diatomeeën bloei groot, en dus is de SIO2 samen met een stijging van de PH een goede voorspellende meting. Uitleg: Plantengroei onttrekt CO2, als bacteriën niet genoeg CO2 produceren loopt de CO2 af en neemt de PH toe. Als er te weinig vrije CO2 is, onttrekken planten CO2 aan carbonaat. Daardoor verlaagt de KH. Thermocline. De thermocline, spronglaag of inversielaag is de aanduiding van een overgang tussen twee lagen water met verschillende temperatuur en dichtheid, bijvoorbeeld in meren of oceanen. Het water onder de thermocline heeft een andere temperatuur dan de laag erboven. De dichtheid van water verloopt niet-lineair met de temperatuur; water heeft zijn grootste dichtheid bij 4°C, bij hogere of lagere temperatuur is de dichtheid lager, waardoor de lagen alleen op contactvlak mengen. Water is niet volledig transparant, de zon warmt de bovenste laag langzaam op. Omdat warmer water lichter is dan kouder water (tot 4°C) blijft het warmere water aan de oppervlakte. Wind en stroming mengen het water, waardoor de warmte zich verspreidt. In stilstaand en beschut water (plas/meer) en diep water (oceaan) vindt veel minder menging plaats, waardoor de gelaagdheid stabiel is. In het najaar en de winter, of door aanhoudende wind (verdamping), koelt de bovenlaag weer af (waardoor dit water weer daalt en mengt). De gehele watermassa kan dan weer een zelfde temperatuur krijgen. De watermassa "keert zich om". In de zomer is de scheiding tussen de lagen redelijk stabiel. Een thermocline is optisch waarneembaar als een laagje troebel water met wervelingen. Duikers zien dat op deze scheidslijn zich ook nogal eens een stoflaagje ontwikkelt. De thermocline kan in dikte verschillen, afhankelijk van het temperatuurverschil en de bewegelijkheid van de watermassa (volkomen stilstaand water heeft een dunnere thermocline). Door het verschil in dichtheid en de verzameling van stof in de thermocline is de laag ook waarneembaar met sonar. In de oceanen ligt de permanente thermocline op ongeveer 50-100 meter diepte, daarboven heeft de zon invloed op de temperatuur van het water (zie ook de absorptie van (zon)licht in water). Onder de thermocline blijft de temperatuur dalen met het toenemen van de diepte, maar dit gaat veel geleidelijker. In de oceanen bevindt 90% van het water zich onder de thermocline. De diepzee bestaat eveneens uit lagen van gelijke temperatuur (en dichtheid). De verschillen in dichtheid van het water kunnen ook door andere dan thermische oorzaken ontstaan, bijvoorbeeld door verschillen in zoutgehalte van het water. Dit is bijvoorbeeld waarneembaar bij de mondingen van rivieren in zee. Zoet water is namelijk lichter dan zout water. Het Waternetje. Waternetje (Hydrodictyon reticulatum) nader uitgelegd. Hydrodictyon reticulatum is een groenwier, waarvan in (Midden- en West-) Europa 1 en in de wereld 5 soorten aanwezig zijn. Het netvormige thallus van het waternetje is een een kolonie, bestaande uit een veelvoud  van cellen, ontstaan uit één cel door opdeling, dus met cilindrische  cellen. Twee tot vier cellen zijn met hun einden tot 5-6 hoekige netjes verbonden. Een volgroeid netje kan meerdere cm groot worden. Een jong netje ontstaat binnen een volwassen cel door opdeling van het veelkernige cytoplasma in eenkernige geflagelleerde zoösporen die na het bewegen hun flagellen verliezen  en zich in een netvormig patroon groeperen binnen de centrale vacuole vormen. Na de desintegratie van de moedercelwand komt het nieuwe netje vrij. Door het strekken van de cellen groeit het nieuwe netje verder. Deze groenwier heeft ook naast deze ongeslachtelijke voortplanting een geslachtelijke.  Op een van de foto's van het waternetje zitten ook een reeks kiezelwieren (Diatomeën). Het waternetje is bekend uit voedselrijke, vooral stikstofrijke wateren, sloten en plassen, ook lijkt het een affiniteit met sulfaatrijk water te hebben.Volgens Jan Simons en medewerkers (1999, Benthische zoetwateralgen in Nederland, KNVV, Utrecht) kan het ook in het kustgebied in wateren met een hoog zoutgehalte voorkomen.Het is in de zomer veel aanwezig, maar ontbreekt in de winter waar het met cellen met een dikke wand ,zgn. <akineten> of met zygosporen op de bodem van het water ligt. Bron:  Baseline Haarlemmermeer Algenbloei. Algenbloei (kenmerk: een groene waterkleur) Algenbloei (wierbloei) is een zomers verschijnsel waarbij grote hoeveelheden algen (met name het blauwwier Planktothrix agardhi) tot ontwikkeling komen zodat er te weinig zuurstof in het water overblijft om de grote hoeveelheid biomassa in stand te houden. Hierdoor kan een grote sterfte optreden door hypoxie. Algenbloei vindt plaats in troebel, niet of langzaam stromend water, meestal met een hoge fosfaat- en stikstof belasting (zowel ammoniak als nitraat) waarbij er geen hogere waterplanten zijn. In meren en plassen waar waterplanten voorkomen is er een biotoop waarbij allerlei organismen als watervlooien voorkomen die in het voorjaar de algen opeten. Terwijl de watervlooien het water helder houden, komen de waterplanten tot ontwikkeling. Het drijvend materiaal komt in de waterplanten tot rust waardoor het water helder blijft. Ook nemen de waterplanten grote hoeveelheden van het vrije fosfaat en nitraat op en concurreren om het vrije CO2. Met name het vastleggen van fosfaat en stikstof in hogere planten maakt deze stoffen tot groei beperkende factoren voor algen. De belasting met meststoffen heft die beperking op.   Een andere belangrijke factor zijn de vissen die voorkomen. Vissen als de brasem en de schubkarper woelen in de bodem, waardoor het water troebel wordt of blijft. Dit is negatief voor de ontwikkeling van hogere planten.   Water waarin algenbloei een probleem is, heeft daarmee een stabiele situatie; de algenbloei zal zich bij ongewijzigde omstandigheden regelmatig herhalen. Om een water weer gezond te krijgen, zijn er een aantal beheersmaatregelen nodig.  De fosfaat en nitraat belasting moet verminderd worden.  De zaadbank van de waterplanten dient hersteld te worden.  Vissen als de brasem en karper dienen weggevangen te worden.   Het omslagpunt waarbij een jaarlijkse algenbloei voorkomen wordt, is bereikt als er voldoende waterplanten zijn om het water helder te houden en als deze in staat zijn om het oppervlak waarin zij voorkomen uit te breiden.   Nadat zich een biotoop met waterplanten heeft kunnen vestigen, is er tijd nodig om alle hogere en lagere dieren hun niche in dit milieu te laten innemen. Naarmate de biodiversiteit groter wordt, is het risico op een volgende algenbloei minder. Witte soms melkachtige laag onderwater. Het komt wel eens voor, dat men rond een thermocline een witte soms melkachtige laag aantreft. Deze wordt veroorzaakt door het onttrekken van CO2- aan de in het water aanwezige bicarbonaten. Als het water warmer wordt en de PH stijgt zal er minder CO2- (< 1,5 mg/L) in het water aanwezig zijn. Planten hebben CO2 nodig, waterplanten hebben ook CO2- nodig om te groeien en om zuurstof af te kunnen geven. Als dit niet meer voldoende aanwezig is zal de benodigde CO2- aan de bicarbonaten worden onttrokken. Bicarbonaten worden gemeten met de KH in °dH (Duitse hardheid). Deze KH waarde zal dan ook ongeveer 0,5 tot 1,5 °dH zakken in waarde. Het gevolg hiervan is, dat deze bicarbonaten weer worden omgezet in magnesium (kalk). Dit kalk veroorzaakt deze witte soms melkachtige laag die rond een thermocline wordt aangetroffen.
Diatomeeën bloei.
Home
Versie: 3.0 September 2016