
Categorie: Oeverplanten
Naam: | Addertong |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Psilotopsida | |
Cade: | Tracheophyta | |
Cade: | Euphyllophyta | |
Orde: | Ophioglossales | |
Familie: | Ophioglossaceae | Addertongfamilie |
Geslacht: | Ophioglossum | |
Latijnse naam: | Ophioglossum |

Herkenning
Addertong (Ophioglossum) is een geslacht van ongeveer 50 soorten varens uit de addertongfamilie (Ophioglossaceae). Ze komen wereldwijd voor, voornamelijk in subtropische en tropische streken, overwegend in vochtige, verstoorde graslanden. De gewone addertong (Ophioglossum vulgatum) komt, zij het zeldzaam, in België en Nederland voor. De azorenaddertong (Ophioglossum azoricum) is nog zeldzamer in de Vlaamse duinen. Addertongen zijn voornamelijk terrestrische geofyten, die overwinteren met vlezige rizomen. Elke plant bestaat uit één, zelden meer bladen, met een onvruchtbaar deel, de trofofoor, en een vruchtbare sporofoor of sporenaar, met een gemeenschappelijke steel. De trofofoor is bladvormig, ongesteeld of zittend, ongedeeld, ovaal tot lancetvormig, met netvormige nerven en een spitse top. De sporenaar is eveneens ongedeeld, zittend tot lang gesteeld, vlezig, lancet- tot lijnvormig, geribbeld, de sporenhoopjes in twee rijen gescheiden door een diepe gleuf, en meestal met een spitse top. De plant laat niet elk jaar een sporenaar groeien, en soms wordt er zelfs niet elk jaar een blad gevormd. Dan leeft de plant ondergronds verder met behulp van mycorrhiza.
Naam: | Akkerkers |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Spermatopsida | (Zaadplanten) |
Cade: | Bedektzadigen | |
Cade: | Malviden | |
Orde: | Brassicales | |
Familie: | Brassicaceae | Kruisbloemenfamilie |
Geslacht: | Rorippa | Waterkers |
Latijnse naam: | Rorippa Sylvestris |

Herkenning
De akkerkers (Rorippa sylvestris) is een plant uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae). In Midden-Europa is het een van de meest voorkomende soorten uit de familie. De soort komt van nature voor in Europa tot Noord-Afrika, Klein-Azië en het Midden-Oosten. De akkerkers is een vaste plant die 20-60 cm hoog wordt. 's Winters overwintert de plant met een bladrozet en dunne, ondergrondse uitlopers. De stengel staat rechtop en is vertakt en kaal of zwak- en kortbehaard. De bladeren zijn gesteeld, niet-stengelomvattend, niet geoord en geveerd tot veerdelig. De kelkbladeren zijn 2-3 mm lang en elliptisch tot langwerpig van vorm. De goudgele kroonbladen zijn dubbel zo lang. De bloemtrossen zijn zelden meer dan 10 cm lang. De bloeitijd loopt van juni tot oktober. De langwerpige hauwtjes zijn recht of licht gekromd, 0,8-1,8 cm lang, circa 1 mm breed en zitten op 1,2 cm lange stelen.
Naam: | Beekpunge |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Spermatopsida | (Zaadplanten) |
Cade: | Bedektzadigen | |
Cade: | Lamiiden | |
Orde: | Lamiales | |
Familie: | Plantaginaceae | Weegbreefamilie |
Geslacht: | Veronica | Ereprijs |
Latijnse naam: | Veronica beccabunga |


Herkenning
Beekpunge (Veronica beccabunga) is een plant uit de weegbreefamilie (Plantaginaceae). De stengel en het blad van deze waterminnende plant zijn kaal en iets vlezig. Het is een vaste plant, in de winter bladhoudende soort. De bladeren bevatten antivriesstoffen. Het verspreidingsgebied bestaat uit vrijwel geheel Europa, het westen en noorden van Azië en ook in Noord-Afrika wordt de plant aangetroffen. De soort is in de Lage Landen vrij algemeen, maar zeldzaam in voedselarme zandstreken en in zeeklei- en brakwatergebieden. De bloempjes zijn blauw en 5-8 mm groot. Er zijn vier kroonblaadjes, waarvan de bovenste het grootste is. Verder zijn er vier kelkblaadjes en twee meeldraden. Beekpunge bloeit in langgesteelde, ijle trossen die in bloei staan tussen mei en september. De bloemtrossen groeien okselstandig, en bevatten twintig tot vijfentwintig bloemen per hoofdje. De plant vormt een 3-4 mm groot bolvormige doosvrucht die onbehaard is. De planten hebben stevige ronde en gladde stengels. Aan waterkanten liggen ze op de grond en gedeeltelijk ook in het water. Vanuit deze liggende stengels groeien ze gebogen omhoog. De 3,5-5 cm grote, gekartelde tot gezaagde, donkergroene bladeren zijn kort gesteeld en eirond tot langwerpig. De bladbasis loopt wigvormig af naar de steel. De bladeren staan tegenover elkaar aan de stengel. Het blad is enigszins vlezig en glanst. De plant kan volledig ondergedoken blijven, vooral in snelstromend water, de bladeren zijn dan slapper en langer.
Naam: | Beenbreek |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Spermatopsida | (Zaadplanten) |
Cade: | Angiospermae | Bedektzadigen |
Cade: | Monocotyledonae | Eenzaadlobbigen |
Orde: | Dioscoreales | |
Familie: | Nartheciaceae | |
Geslacht: | Narthecium | |
Latijnse naam: | Narthecium ossifragum |


Herkenning
Beenbreek (Narthecium ossifragum) is een lelieachtige plant uit de familie Nartheciaceae. Het is een zeldzame soort van venige heidevelden, met name aan de rand van beekdalen en ook wel op blauwgraslanden. De soort staat op de rode lijst in Vlaanderen en Nederland als zeer sterk afgenomen. In Nederland is de plant vanaf 1 januari 2017 niet meer wettelijk beschermd. De 10 - 30 cm grote overblijvende plant uit de beenbreekfamilie heeft heldergele bloemen. Het doorgaans massale optreden maakt haar in de bloeitijd (juni-augustus) volstrekt onmiskenbaar. Ook in het najaar geldt dat vanwege de opvallende oranjerode doosvruchten. Lange tijd dacht men dat beenbreek botbreuken bij met name schapen veroorzaakte. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat de plant uitsluitend groeit op zure bodems waar niet of nauwelijks kalk in zit, terwijl kalk nodig is voor een stevig skelet. Ook groeit beenbreek op vochtige bodems waarin vee gemakkelijk wegzakt.
Naam: | Blauwe waterereprijs |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Spermatopsida | (Zaadplanten) |
Cade: | Bedektzadigen | |
Cade: | Lamiiden | |
Orde: | Lamiales | |
Familie: | Plantaginaceae | weegbreefamilie |
Geslacht: | Veronica | Ereprijs |
Latijnse naam: | Veronica Anagallis-Aquatica |

Herkenning
De blauwe waterereprijs (Veronica anagallis-aquatica) is een eenjarige, tweejarige of overblijvende plant die behoort tot de weegbreefamilie (Plantaginaceae). De plant komt van nature voor in Eurazië en verder in Noord- en Zuid-Afrika, Noord- en Zuid-Amerika en in Nieuw-Zeeland. De blauwe waterereprijs kan kruisen met de rode waterereprijs (Veronica catenata), maar deze bastaard is onvruchtbaar. De plant wordt 15-60 cm hoog en heeft een groene of soms roodachtige, meestal iets vierkantige stengel. De 12 cm lange en 4 cm brede, langwerpige tot lancetvormige bladeren zijn meer bovenaan de stengel halfstengelomvattend. De onderste bladeren hebben en korte steel. De blauwe waterereprijs bloeit van mei tot de herfst met lila tot blauwe, 4-7 mm grote bloemen. In de keel van de bloem zitten paarse adertjes. De spitse schutbladen zijn lintvormig. De kelkslippen zijn eirond tot lancetvormig. De breder dan hoge kroonbuis is veel korter dan 2 mm. De steel van de bloem maakt na de bloei een scherpe hoek met de as van de tros, die in de oksels van de bovenste bladeren zitten. De 2,5-4 mm grote vrucht is een opgezwollen, eironde tot rondachtige, zwak ingesneden doosvrucht, die rechtopstaande kelkslippen heeft. De achtergebleven stijl is 1,5-2,5 mm lang. Het zaad is kleiner dan 0,5 mm. De plant komt voor in ondiep, stromend water en langs het water op natte, voedselrijke grond.
Naam: | Gewone dotterbloem |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Spermatopsida | (Zaadplanten) |
Cade: | Bedektzadigen | |
Cade: | Tweezaadlobbigen | |
Orde: | Ranunculales | |
Familie: | Ranunculaceae | Ranonkelfamilie |
Geslacht: | Caltha | Caltha palustris |
Latijnse naam: | Caltha palustris subsp. Palustris |


Herkenning
De gewone dotterbloem (Caltha palustris subsp. palustris) is een vaste plant uit de ranonkelfamilie (Ranunculaceae). De bloem ontleende zijn naam aan het Duitse 'Dotter' en het etymologisch verwante Middelnederlandse 'doder' (dodre) wat ‘dooier’ betekent, daarmee verwijzend naar zijn gele kleur. De gewone dotterbloem onderscheidt zich van de zeldzaam voorkomende spindotterbloem (Caltha palustris subsp. araneosa) door de holle, niet verdikte knopen van de bloemstengels en het ontbreken van een elleboogvormige knik. De plant behoudt zijn bladeren. De bladeren zijn rond tot bijna niervormig. De plant wordt 45-60 cm hoog. De favoriete standplaats is langs randen van sloten, beken, in vochtige weilanden, brongebieden en andere zompige plaatsen. Op deze plaatsen komt de plant zowel in de volle zon als in de halfschaduw voor. De bloeiperiode loopt van maart tot april en soms nog van augustus tot september. De ongeveer 4 cm grote bloemen tellen vijf tot acht gele kelkbladen, geen kroonbladen en talloze meeldraden.Licht glanzende bladen. De onderste bladeren zijn lang gesteeld. De bloemstengels zijn hol en glad.
Naam: | Egelboterbloem |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Spermatopsida | (Zaadplanten) |
Cade: | Bedektzadigen | |
Cade: | Tweezaadlobbigen | |
Orde: | Ranunculales | |
Familie: | Ranunculaceae | Ranonkelfamilie |
Geslacht: | Ranunculus | Boterbloem |
Latijnse naam: | Ranunculus Flammula |


Herkenning
De egelboterbloem (Ranunculus flammula), voorheen ook wel egelgras[1], is een plant uit de ranonkelfamilie (Ranunculaceae). De plant komt vooral voor op vochtige, moerassige plaatsen. Ze hebben enkelvoudige bladeren en kleine gele bloemen die relatief bleek zijn. Ze hebben rechtopstaande of liggende en bewortelde stengels. De plant is giftig en de smaak van de plant is scherp vanwege het aanwezige anemonol, dat ook in anemonen voorkomt. Hierdoor wordt bij het vers eten van de plant het slijmvlies aangetast. Vee mijdt derhalve de plant. De bloem is bleekgeel en glanzend en heeft een doorsnede van 0,8-2 cm. Er zijn vijf kroonblaadjes en vijf kelkblaadjes. Bovendien heeft de plant veel meeldraden. De bloemsteel is gegroefd. De bloeiwijze is alleenstaand of schermvormig en de bloeitijd loopt van mei of juni tot in de herfst. Het onderste blad is langwerpig of eirond, de bovenste lancetvormig en ongesteeld. De egelboterbloem draagt onbehaarde dopvruchten.
Naam: | Gele lis |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Spermatopsida | (Zaadplanten) |
Cade: | Bedektzadigen | |
Cade: | Tweezaadlobbigen | |
Orde: | Asparagales | |
Familie: | Iridaceae | Lissenfamilie |
Geslacht: | Iris | Lis |
Latijnse naam: | Iris Pseudacorus |

Herkenning
De gele lis (Iris pseudacorus) is een plant uit de lissenfamilie (Iridaceae). Het is een 0,8–1 m hoge oeverplant van zoet, stilstaand of langzaam stromend water. De plant groeit in water dat tot zo'n 30 cm diep is. De lange, smalle bladen hebben een iets opstaande middennerf en blijven het gehele jaar groen. De bloemen zijn van mei tot juni te zien en zijn 5–12 cm in doorsnee. De bloem heeft een groot groen schutblad, drie grote afhangende bloemdekslippen, en drie kleinere kroonbladen. Na de bloei zitten de zaden als een rolletje munten opgestapeld in driekantige zaaddozen. Deze bevatten luchtholten waardoor ze blijven drijven. In Nederland en in iets mindere mate in Vlaanderen is de plant een bekend gezicht langs sloten en andere ondiepe waterwegen. Het aantal planten liep eind 20e eeuw in Nederland fors terug, reden waarom de plant in de lijst van wettelijk beschermde planten opgenomen is geweest.
Naam: | Geoord Helmkruid |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Spermatopsida | (Zaadplanten) |
Cade: | Bedektzadigen | |
Cade: | Lamiiden | |
Orde: | Lamiales | |
Familie: | Scrophulariaceae | Helmkruidfamilie |
Geslacht: | Scrophularia | Helmkruid |
Latijnse naam: | Scrophularia Auriculata |


Herkenning
Geoord helmkruid (Scrophularia auriculata) is een overblijvende plant die behoort tot de helmkruidfamilie (Scrophulariaceae). De plant komt van nature voor in West-Europa, Noordwest-Afrika en op de Azoren. De cultivar Scrophularia auriculata 'Variegata' met witgerande bladeren wordt in de siertuin gebruikt. De plant wordt 60-120 cm hoog en heeft een scherp vierkantige, gevleugelde stengel. De vleugels zijn tot 1 mm breed. De onderste, tegenoverstaande, donkergroene, langwerpige, gekartelde bladeren hebben een hartvormige voet en aan de top van de bladsteel zitten meestal een of twee kleine zijlobben (oortjes), waaraan de plant zijn naam te danken heeft. De bovenste, gezaagde bladeren hebben geen lobben.Geoord helmkruid (Scrophularia auriculata) is een overblijvende plant die behoort tot de helmkruidfamilie (Scrophulariaceae). De plant komt van nature voor in West-Europa, Noordwest-Afrika en op de Azoren. De cultivar Scrophularia auriculata 'Variegata' met witgerande bladeren wordt in de siertuin gebruikt. De plant wordt 60-120 cm hoog en heeft een scherp vierkantige, gevleugelde stengel. De vleugels zijn tot 1 mm breed. De onderste, tegenoverstaande, donkergroene, langwerpige, gekartelde bladeren hebben een hartvormige voet en aan de top van de bladsteel zitten meestal een of twee kleine zijlobben (oortjes), waaraan de plant zijn naam te danken heeft. De bovenste, gezaagde bladeren hebben geen lobben. Geoord helmkruid bloeit van juni tot september aan het eind van de stengel met open tweelippige, donkerpaarsachtig bruine, 0,8-1 cm lange bloemen. De voet van de bloem is geelgroen. Het onder de bovenste kroonslippen zittende staminodium is rondachtig. De ronde kelkslippen zijn breed vliezig gerand. De schutbladen zijn lijnvormig. De bloeiwijzen zijn veelbloemige bijschermen, die in een pluim gerangschikt zijn. De vrucht is een ronde doosvrucht. De plant komt voor langs waterkanten op natte, voedselrijke, kalkhoudende grond.
Naam: | Kattenstaart |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Spermatopsida | (Zaadplanten) |
Cade: | Bedektzadigen | |
Cade: | Rosiden | |
Orde: | Myrtales | |
Familie: | Lythraceae | Kattenstaartfamilie |
Geslacht: | Lythrum | Kattenstaart |
Latijnse naam: | Lythrum Salicaria |


Herkenning
De grote kattenstaart (Lythrum salicaria) is een vaste plant uit de kattenstaartfamilie (Lythraceae). De soortaanduiding salicaria betekent: met blad dat lijkt op een wilgenblad. De plant heeft meestal tussen de 0,60-1,20 m lange, rechtopgaande, kantige stengels met vertakkingen. De 3-8 cm lange, lancetvormige tot eironde bladeren staan met twee of drie kruisgewijs tegenover elkaar, maar aan de top verspreid. De plant groeit in pollen met wortels tot een meter diep. De 1-1,6 cm grote bloemen groeien in schijnkransen uit de oksels van de bovenste bladen, elk heeft vier tot meestal zes kroonbladen en twaalf meeldraden. De paarsrode bloemen zijn gerangschikt in een tot 35 cm lange schijnaar. Ze zijn tweeslachtig en vertonen heterotristylie om zelfbestuiving te voorkomen. Dat betekent dat er drie soorten bloemen voorkomen (trimorf): kortstijlige bloemen met middellange en lange meeldraden middelstijlige bloemen met korte en lange meeldraden langstijlig bloemen met korte en middellange meeldraden. De bloeiperiode loopt van juni tot september.
Naam: | Grote Wederik |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Spermatopsida | (Zaadplanten) |
Cade: | Bedektzadigen | |
Cade: | Asteriden | |
Orde: | Ericales | |
Familie: | Primulaceae | |
Geslacht: | Lysimachia | Wederik |
Latijnse naam: | Lysimachia Vulgaris |


Herkenning
Grote wederik (Lysimachia vulgaris) is een vaste plant uit het geslacht wederik (Lysimachia). De plant wordt 0,5-1,5 m hoog. De bloemen staan in eindelingse pluimen. De bloemkroon is geel. De bloemen hebben vijf kroonslippen die 7-30 mm lang zijn. Aan de voet hebben de kroonslippen dikwijls een bruinrode vlek. Aan de rand zijn ze bezet met klierharen. De kelkslippen zijn 3-5 mm lang en aan de rand gewimperd. De bladeren staan soms in tweetallen of in kransen van drie of vier aan de stengel. Ze zijn kortgesteeld, langwerpig en lopen in de top uit in een spits. De nerven springen een beetje uit en vormen netwerkjes. Op de bladeren zitten onregelmatige, rode klierpuntjes, die als het blad tegen het licht gehouden wordt goed zijn te zien. De plant heeft wortelstokken, in het water kunnen die soms rood en meterslang zijn. De vrucht is een doosvrucht. De grote wederik komt voor in de gematigde zone van Eurazië. In Nederland is de plant algemeen, met uitzondering van de zeekleigebieden en de Waddeneilanden. Ook in België is de plant aan de kust zeldzamer dan in het binnenland. Grote wederik komt voor op natte tot vochtige bodems. Ze kan deel uitmaken van allerlei verschillende typen vegetaties. Zo kan ze onderdeel uitmaken van ruigten op niet te voedselrijke bodem en groeit in vrij voedselarme grasland alsook in bossen. Langs waterkanten is ze geregeld aan te treffen.
Naam: | Kleine Biesvaren |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Lycopsida | Wolfsklauwachtigen |
Cade: | ||
Cade: | ||
Orde: | Isoetales | |
Familie: | Isoetaceae | Biesvarenfamilie |
Geslacht: | Isoetes | Biesvaren |
Latijnse naam: | Isoetes Echinospora |

Herkenning
De Kleine biesvaren (Isoetes echinospora) is een meerjarige rozetplant die behoort tot de biesvarenfamilie (Isoetaceae). De plant komt voor in de koude en gematigde streken van het noordelijk halfrond. In Nederland staat de plant op de Nederlandse Rode lijst van planten als zeer zeldzaam en sterk in aantal afnemend. De soort groeit op zandbodems van voedselarme ondiepe heidevennen. De plant is 5-25cm hoog, komt voor in kleine en verspreide groepjes. De bladschijf is doorschijnend lichtgroen, buigzaam en slap. Van juli tot september worden sporen gevormd. De megasporen van de plant zijn wit en hebben dicht opeengeplaatste stekels. De plant wordt daarom ook wel stekelbiesvaren genoemd.
Naam: | Harig Wilgenroosje |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Spermatopsida | Zaadplanten |
Cade: | Bedektzadigen | |
Cade: | Rosiden | |
Orde: | Myrtales | |
Familie: | Onagraceae | Teunisbloemfamilie |
Geslacht: | Epilobium | Basterdwederik |
Latijnse naam: | Epilobium Hirsutum |


Herkenning
Het harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum) is een 0,8-1,8 m hoge, algemeen voorkomende, vaste plant uit de teunisbloemfamilie (Onagraceae). De zachtbehaarde stengel draagt 6-12 cm lange, langwerpige bladeren. De bladeren zijn meestal tegenoverstaand, terwijl het middelste blad vaak stengelomvattend is. Ook de bladeren zijn zachtbehaard. De bloemen hebben een diameter van 1,5-2,5 cm, vier uitgerande, licht- tot donker magenta kroonbladen en een vierspletige stempel. De plant bloeit van juni tot september. De plant komt in België en Nederland algemeen voor op vochtige plaatsen, in ruigtes, langs slootkanten en op niet al te zware grond. Een diepte tot 10 cm in het water gedurende enige tijd is geen bezwaar, maar de plant kan echter geen langdurige natte voeten gebruiken en heeft ook behoefte aan veel licht. Onder deze omstandigheden kan de plant dichte bosschages vormen. Mogelijk onder invloed van de klimaatverandering breidt de plant zich naar het noorden uit. Zo werd in 1980 de plant op het Schotse eiland Skye nog niet waargenomen, terwijl de plant daar anno 2004 veel voorkomt.
Naam: | Koninginnekruid |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Spermatopsida | Zaadplanten |
Cade: | Bedektzadigen | |
Cade: | Campanuliden | |
Orde: | Asterales | |
Familie: | Asteraceae | Composietenfamilie |
Geslacht: | Eupatorium | |
Latijnse naam: | Eupatorium Cannabinum |


Herkenning
Koninginne(n)kruid of leverkruid (Eupatorium cannabinum) is een plant uit de composietenfamilie (Asteraceae). De soort wordt 30-170 cm hoog en groeit op vochtige plaatsen, bijvoorbeeld in ruigtes, aan waterkanten, in moerassen, rietlanden en vochtige bossen. Er vormen zich roze bloemhoofdjes van vijf of zes buisbloemen (soms wit). Het omwindsel heeft purperen topjes. De plant bloeit als schermvormige pluim van bloemhoofdjes. De bloeitijd is van juli tot september. De bladeren zijn tegenoverstaand. De onderste bladeren zijn omgekeerd-lancetvormig en gesteeld; de bovenste bladeren zijn driedelig, lancetvormig, ongesteeld en grof gezaagd. Koninginnekruid draagt een zwart nootje dat voorzien is van een pappus. De bloem produceert veel nectar en wordt door vlinders en bijen druk bezocht. Een thee van koninginnekruid werd vroeger gebruikt tegen verkoudheid en als laxeermiddel. In grote hoeveelheden tast hij de lever aan en kan leverkanker veroorzaken. Oorspronkelijk werd deze plant leverkruid genoemd.
Naam: | Koningsvaren |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Polypodiopsida | |
Cade: | ||
Cade: | ||
Orde: | Osmundales | |
Familie: | Osmundaceae | Koningsvarenfamilie |
Geslacht: | Osmunda | |
Latijnse naam: | Osmunda Regalis |


Herkenning
De koningsvaren (Osmunda regalis) is een varen uit de koningsvarenfamilie (Osmundaceae). De plant komt zeer plaatselijk in grotere aantallen voor in vochtige loofhoutbossen, veenmoerassen en aan beschaduwde slootkanten. Elders is hij zeer zeldzaam. De soort wordt ook wel als sierplant gehouden. In Nederland is de plant vanaf 1 januari 2017 niet meer wettelijk beschermd. De plant heeft dubbelgeveerde bladeren, die licht- of geelgroen zijn. De hoogte varieert van 0,2-3 m (in schaduw en in een goede grond). In het centrum staan vruchtbare bladeren. De buitenste bladeren zijn onvruchtbaar. De plant kan tot honderd jaar oud worden. De sporenhoopjes (sora) zitten bovenaan de vruchtbare bladeren aan smalle deelblaadjes, die een soort pluim vormen. De sporenhoopjes bestaan uit sporangiën, waarin de sporen gevormd worden. Ze worden later bruin. De sporen zijn rijp in juli of augustus. De koningsvaren is een terrestrische plant die groeit op vochtige plaatsen in of langs de rand van het loofbos, langs sloten of op open plaatsen. Hij is circumboreaal verspreid.
Naam: | Grote Lisdodde |
Taxonomische indeling |
Rijk: | Plantae | (Planten) |
Stam: | Embryophyta | (Landplanten) |
Klasse: | Spermatopsida | Zaadplanten |
Cade: | Bedektzadigen | |
Cade: | Commeliniden | |
Orde: | Poales | |
Familie: | Typhaceae | Lisdoddefamilie |
Geslacht: | Typha | Lisdodde |
Latijnse naam: | Typha Latifolia |

Herkenning
De grote lisdodde (Typha latifolia) is een plant uit de lisdoddefamilie (Typhaceae). Het is een tot ruim 2 m hoge plant van voedselrijke oevers met lange grote bladeren, en een karakteristieke bruine 'sigaar' aan het uiteinde van zijn stengels. De plant bloeit in juni en juli met de mannelijke aar meestal direct boven de vrouwelijke lichtbruine aar, waaraan de bloemen zitten. Bij rijpheid zijn de vrouwelijke aren zwartachtig bruin; de sigaren. Bij de kleine lisdodde (Typha angustifolia) zijn de rijpe sigaren geelachtig tot groenachtig van kleur. De lisdodde staat op de Nederlandse Rode Lijst van planten als algemeen voorkomend en stabiel of toegenomen. De grote lisdodde is een zeer algemene plant en komt voor aan waterkanten in zeer voedselrijke omstandigheden en in zure, voedselrijk wordende vennen en plassen. De plant komt niet voor aan grote open wateren. De plant kan zich onder gunstige omstandigheden door middel van zijn wortelstokken snel verspreiden en speelt vaak een belangrijke rol bij het verlanden van ondiep water. De grote lisdodde staat niet op de Lijst van wettelijk beschermde planten in Nederland of de Lijst van wettelijk beschermde planten in België.
source: Wikipedia, the free encyclopedia